Schrijven maar

Titel van het boek

Nu ben ik dus aan het schrijven. Het boek waar ik na het overlijden van Wim mee begon. Ik begon er mee nadat ik me tussen Kerst en Oud en Nieuw vier dagen had gelaafd aan wijze vrouwen bij de School voor wijsbegeerte in Leusden. Daar was ik op zoek naar inspiratie voor verdieping van wat ik wilde gaan schrijven. Het bleek niet alleen verdieping te zijn wat ik daar vond, maar ook verbreding.
Tijdens het ontbijt op dag twee van mijn verblijf daar, zat ik naast een man die ik (nog) niet kende. Hij vroeg me wat ik zoal deed in het leven. Ik vertelde over mijn levenstuin. Ik vertelde hoe ik daar drie jaar geleden mee ben begonnen en dat ik gaandeweg ontdekte; Die tuin dat ben ik zelf. Ik vertelde over de schommels voor het kind in mezelf, het labyrint voor de weg naar binnen, de sloten en de vijver voor reflectie en de kas als 'beschutte koesterende plek'. "Nou" zei hij, "je kunt er wel een boek over schrijven en dan weet ik al de titel: 'de Levenstuin'." Ik schoot in de lach. Dat ik een boek wilde schrijven had ik al bedacht, ik had alleen een heel andere titel voor ogen. Dat zei ik hem en ik zei hem ook dat ik over zijn voorstel voor een titel nog eens na ging denken. De levenstuin als symbool voor het leven vond ik eigenlijk zo gek nog nog. Het cyclische van de seizoenen, het afsterven en weer opnieuw beginnen. Ik zag de verbreding en verdieping.

Het nieuwe jaar begon ik dus in een schrijfflow. Het was heerlijk. De sneeuw die ervoor zorgde dat ik min of meer van de wereld afgezonderd raakte, binnen heerlijk warm met de zon op de ramen. Soms stond ik al om 7 uur op. Ik was toch wakker, dus dan kon ik net zo goed maar meteen gaan ontbijten en weer verder schrijven. Maar toen kwam de dooi. En met de sneeuw verdween ook mijn flow. Ik liep vast. Het was alsof ik alles al eens eerder geschreven had. Dat was ook zo, maar ik was nu niet meer daar. Ik voelde me in een nieuwe staat van zijn, maar schreef nog oud. Het klopte niet meer.

Lastige vragen die helpen

Met de sneeuw verdween mijn geïsoleerde bestaan. Ik had een afspraak met Esther Ritman. Op het moment dat ik bedacht een klankbord nodig te hebben voor het schrijven van mijn boek, ontving ik een app-je van Esther met de suggestie om weer eens koffie te drinken samen om bij te praten. Dit was een timing die geen toeval kon zijn. Op een stralend zonnige dag reed ik over de dijk van het Markermeer naar Esther. Door de muziek en het bijzondere licht raakte ik in de auto al in tranen. Bij Esther op de bank volgden nog veel meer tranen. Het deed me goed. Het was bijzonder hoe Esther woorden gaf aan mijn tranen. Woorden die klopten. 

Ik vertelde Esther hoe ik vast liep met het schrijven. Ze stelde me lastige vragen, die me hielpen helderder te krijgen waar ik op vastliep. Mijn verhaallijnen liepen bijvoorbeeld veel te veel door elkaar. En ja, wat wilde ik eigenlijk als verhaallijn? Esther suggereerde me een synopsis te schrijven voor ik verder zou gaan. Toen ik thuiskwam, liep de synopsis uit mijn vingers zo over het toetsenbord. 

Mijn levenstuin 

Naar aanleiding van de synopsis belden we. "Schrijven kun je", zei Esther. En vervolgens had ze nog veel meer lastige vragen. Oh, wat houd ik van lastige vragen. Die helpen me denken en structureren. Na het indalen van het telefoongesprek, kwam de inhoudsopgave in mij naar boven. De nacht daarop de titel: 'Mijn levenstuin'. Met als ondertitel: Mijn levensverhaal als weg van bevrijding. Het verschil tussen 'de levenstuin' en 'mijn levenstuin' is voelbaar. Ik ben opnieuw begonnen. Helemaal vanuit mij in plaats van de (kritische) beschouwer. Dat geeft een andere taal. De taal die nú bij mij klopt. 

Wordt vervolgd


Reacties

Een reactie posten