zaterdag 7 september 2019

Eigen regie, zolang het nog kan


Geschreven door het 'tuinmeisje' in het hospice

Toen ik voor het eerst de kamer van Saskia in het hospice binnenliep viel mijn oog meteen op een giraffe van ongeveer een meter hoog. "Ja, die heb ik gekregen van mijn zoon" zegt Saskia als antwoord op mijn vragende blik. "Ik ben helemaal dol op giraffen." 
Daar wil ik natuurlijk wel meer van weten...

Saskia is net in de 50. Ze woont in de buurt van het hospice en nam bij opname ongeveer 4 weken geleden haar fiets mee zodat ze, als ze zou willen, nog een keer naar huis zou kunnen fietsen. 
Ze is nog één keer thuis geweest om afscheid te nemen van haar papegaai, maar dan wel in een rolstoel. De borstkanker heeft zich uitgezaaid in haar longen en verder. Ze is niet meer te genezen. Om niet alleen maar moe te zijn krijgt ze extra zuurstof via een slangetje in haar neus. Met mooi weer zit ze graag in de tuin. Maar de herfst nadert merkbaar en ook Saskia trekt zich steeds meer terug van de wereld. 
"...die bewegen zo sierlijk en gracieus"

Waarom giraffen?
Ik vraag Saskia waarom ze giraffen zo bijzonder vindt. 
"Vroeger met mijn ouders gingen we altijd al naar de dierentuin. Blijdorp, Artis, we gingen overal heen. Dan moest ik in ieder geval de giraffen zien. Die bewegen zo sierlijk en gracieus."

"Toen ik zelf kinderen kreeg gingen we ook heel vaak naar de dierentuin en later met de kleinkinderen ook. Ik vind het gewoon prachtig en mijn zoon is ook helemaal weg van dieren."

Wens
Saskia: "Ik had deze zomer dan ook nog een grote wens. Ik wilde heel graag voor ik dood zou gaan, nog een keer bij de giraffen kijken.
Mijn kinderen hebben toen geregeld dat ik, via de wens ambulance, in de dierentuin in Amersfoort bij de giraffen achter de schermen mocht kijken. 
We zijn daar met kinderen en kleinkinderen heel fijn ontvangen. Het was echt een fantastische dag. Er waren vier volwassen giraffen. Ik mocht bij ze en 'snoepjes' geven. Ik kon ze ook aaien, dat voelt heel apart. Een beetje hard zijn die haren wel. Een paard is veel zachter. Giraffen zijn helemaal niet gevaarlijk. Ze stralen zo'n rust uit, maar ze kunnen ook heel arrogant die kop in de lucht steken.  
En er is duidelijk één de baas, die geeft de anderen niet de kans om dichtbij te komen."

Ik vraag Saskia of ze dat herkent in zichzelf. Ze lacht. "Ja, ik houd graag de regie, zo lang het nog kan."  




zondag 1 september 2019

Onverwacht bezoek

Door:  het ‘tuinmeisje’ in het hospice Bodegraven-Reeuwijk 

Deze keer werk ik van 11.00 tot 15.00 uur in het hospice. Normaal doe ik de dienst van 15.00 tot 19.00 uur, maar ik wil wel eens ervaren wat er op een andere tijd aan bezigheden voorbijkomt.
We ruimen net de boel op van de lunch. De ene gast at een broodje met kaas op haar kamer. Een andere gast werd geholpen met het eten van een schaaltje vla. En gast nummer drie drinkt alleen nog maar wat water. Zijn vrouw en dochter zijn de afgelopen vier weken goed bekend geraakt in de keuken en koelkast en maken hun eigen broodje klaar. 

"Ik heb kanker en ga dood"
Terwijl mijn collega vrijwilliger nog even kijkt of de wasmachine al klaar is, wordt er aan de deur gebeld. Ik loop naar de voordeur en daar staat een man van een jaar of 60 met zijn fiets in de hand. Als ik opendoe zet hij de fiets neer en geeft me een hand. “Hallo, ik ben Bert Baas* en ik heb kanker. Het begon hier, hij wijst op een plek in zijn buik, en nu zit het overal. Ook in mijn longen. Ik ga dus dood.” “Oh”, zeg ik, “u komt zich voorbereiden op uw toekomst.” “Ja”, zegt hij lachend. 

Onbegrepen en alleen
Ik laat hem binnen, we lopen naar de woonkamer. “Gezellig hier”, zegt Bert. “Ja, ik had al wel gehoord van de open dag, maar toen had ik geen energie om te komen kijken. Bovendien zijn er dan zoveel mensen…” 
Koffie of thee wil hij niet, maar hij gaat graag even zitten. Hij vertelt hoe hij al jaren loopt te kwakkelen met zijn gezondheid en dat ze nooit wat konden vinden. Hij had soms veel pijn, was vermoeid, kon niet meer goed functioneren en raakte zo zijn werk kwijt. Niemand geloofde hem eigenlijk, hij zag er niet ziek uit. 
Huiskamer in het hospice
Zijn vrouw is ondertussen van hem gescheiden en zijn volwassen kinderen wonen in een andere plaats. Zijn zoon ontkent de ziekte van zijn vader, wil het er niet over hebben. Daardoor ziet hij zijn zoon niet meer zo vaak. “Mijn dochter is helemaal op haar moeder gericht, die zie ik vrijwel nooit meer.” 
“Toen ik mijn buren vertelde dat ik kanker had, zeiden ze: Oh, als je me nodig hebt moet je het maar zeggen. Ik had liever gehad dat ze zeiden: Joh wat kloten voor je en dat ze een week later nog eens aan me hadden gevraagd hoe het ging. Nu zie ik ze eigenlijk nooit, want ze kunnen toch niks voor me doen.” 
“Volgens mij voelt u zich dan vast wel eens eenzaam”, zeg ik. Dat beaamt hij volmondig. “Maar ik heb wel een kat, dat is mijn beste vriend. Alleen die praat niet terug en het arme beest kan er ook niets aan doen dat ik af en toe zo verdrietig ben.” 


Wel een fijne plek om dood te gaan
“Oh, het is al bijna twee uur, ik moet naar de fysiotherapeut hier om de hoek. Daar ga ik ook voor het eerst heen. Die man is gespecialiseerd in fysiotherapie bij kanker. Mijn huisarts heeft me naar het sociaal team gestuurd en die sturen me nu overal op af.” 
Ik vertel hem dat hij het beste even kan bellen met een van de coördinatoren om te spreken over de mogelijkheden van opname in het hospice als het zover zou komen. “Dat ga ik zeker doen. Ik vind het wel fijn hier”, zegt hij.

*Bert Baas is niet zijn echte naam


woensdag 14 augustus 2019

'Tuinmeisje' in het hospice

Begin dit jaar was er een inzameling voor de aanleg van de tuin van het hospice in oprichting in Bodegraven. Volop werd er gegeven, maar ik kon dat niet. Het hoge gehalte aan liefdadigheid voor dat hospice de afgelopen jaren stond me tegen. Maar waarom eigenlijk? Was ik misschien een beetje jaloers op de oprichter die dit allemaal voor elkaar kreeg? 

Leerzaam
Ik ging in mezelf op onderzoek uit en bedacht dat ik geld geven te gemakkelijk vond. Het idee kwam op om zelf in de tuin van het hospice aan het werk te gaan en dan al werkende in de tuin in gesprek te raken met gasten en hun familieleden. Ik meldde me aan als ‘tuinmeisje’. 
Net als alle andere vrijwilligers moest ik een korte cursus volgen waarin we leerden hoe om te gaan met de gasten en hun familie, met onze eigen gevoelens rondom de dood etcetera. Ik vond het leuk en kwam tot de ontdekking dat ik wel meer dan alleen ‘tuinmeisje’ wilde zijn. 

En zo gebeurde. Het hospice is op 15 juni geopend. Met de eerste gast heb ik nog gezellig in de huiskamer zitten eten. Een week later was ze overleden. Ik leer dat het van het ene op het andere moment op kan houden als je niet meer ingrijpt om het leven te redden. 
Ik leer over het levenseinde, over relaties, verwerken van emoties en geniet volop van de soms zeer intense levensverhalen die tot mij komen. Ook van de collega vrijwilligers. Mijn honger naar diepgang en intensiteit van leven in de vorm van gesprekken wordt hier zeer gestild.  

En die tuin?
Er zijn ook mannen die graag vrijwilligerswerk doen in het hospice. Zij hebben zich op de tuin gestort. Hij ligt er keurig bij, af en toe geef ik de plantjes wat water. Echt aan het werk in de tuin hoef ik niet. Maar ik loop toch vaak even de tuin in. Ik ontdek dat ik dat fijn vind. Even niemand om me heen, even mezelf hervinden. 
In de vrijwilligerstraining moest je aangeven wat je nodig hebt om vitaal te blijven. Ik schreef daar: Rust, Natuur, ruimte voor mezelf. 
Die tuin heb ik gewoon nodig!

woensdag 2 januari 2019

Geluk in het groen

De dag voor kerst toverden mijn dochter en ik onze slaapkamer om. Sinds kerstavond slapen Wim en ik in het bos. Althans dat dromen we.
Foto
Het belang van groen
2018 was voor mij het jaar van de herontdekking van de betekenis van ‘groen’ in mijn leven.
Ik wist het natuurlijk wel, maar was het een beetje kwijtgeraakt door mijn aandacht voor alles wat met (mantel)zorg te maken had.
In januari kwam ik bij toeval in het bestuur van de Beroepsvereniging voor groene zorg (BVGZ). Toevallig omdat ik er nog maar net lid van was en me er na één bijeenkomst met leden zo thuis voelde dat ik een oproep om mee te doen niet kon weerstaan. 'Ja' zeggen zonder dat ik precies weet waar ik aan begin, is wel een beetje een kenmerkende eigenschap van me.

Wat groene zorg is? Voor mij is het gebruik maken van de helende werking van ‘groen’. Een groene omgeving, natuur, water, planten in je huis of in de straat. Dit jaar kwam er de infographic zoals hiernaast afgebeeld, waar de invloed van natuur op verschillende aspecten van gezondheid heel eenvoudig is weergegeven.
Achteraf zie ik hoe ik eigenlijk al heel lang goed gedij in het groen. Of eigenlijk… groen opzoek op momenten dat ik me wat minder vitaal en gelukkig voel. Bij het grasmaaien of het onkruid verwijderend uit het tuinpad, ziet de wereld er vaak vele malen eenvoudiger uit. Oplossingen voor problemen komen spontaan naar boven.
​Als kind was ik altijd al te vinden bij mijn vader in de groentetuin. Ik mocht er mijn eigen boontjes plukken om ze te doppen. Het heeft me geholpen in het leven. Zelfredzaamheid en eigen regie dragen bij aan geluk. 

Foto
Aandacht voor gezondheid in plaats van gebrek
In 2018 ben ik nog meer de betrekkelijkheid van de zorgsector gaan zien. Om goed voor jezelf te zorgen heb je niet altijd persé een dokter nodig. Goed luisteren naar je eigen lijf is minstens zo belangrijk. Ik ben dit jaar wekelijks gaan wandelen met een groepje buurvrouwen. Zelfs als ik eigenlijk liever op de bank blijf zitten ga ik toch, omdat de anderen ook gaan. Vol energie kom ik na anderhalf uur weer thuis.
Het verdienmodel van de zorgsector is de aandacht voor ziekte, aan gezondheid valt weinig te verdienen.  Op die manier kijk ik met enige argwaan naar wat artsen ons voorhouden. Ik ben meer van de preventie dan van de pillen. Buitenlucht en groen doen wonderen. Ik raak er steeds meer van overtuigd.

Wat komt er na (mantel)zorg?
Al jaren maak ik schilderijen. Ik begin met abstracte vormen. Vierkanten, cirkels, lijnen. Er ontstaat vanzelf iets. Altijd komt het moment dat ik aandrang krijg om er blaadjes in te tekenen. Groene blaadjes. Op een goed moment vond ik dat zo banaal, dat ik het probeerde tegen te houden. Ik mocht van mezelf geen blaadjes meer schilderen. Toen ik mezelf na enige tijd toestond om toch weer blaadjes te schilderen werd ik daar heel blij van. Nu snap ik waarom. Ik heb een natuurlijke behoefte aan ‘groen’.
Dit voorjaar probeerde ik al schilderend meer zicht te krijgen op waar ik me mee zou gaan bezighouden als dat niet meer de (mantel)zorg is. Zo ontstond dit schilderij. Ik vind het niet mooi maar wel veelzeggend. Het witte vierkantje aan de horizon trok steeds weer mijn aandacht; ik wist niet wat het was. Maanden later kon ik het benoemen… het is ‘geluk’.

En zo kwam ik op het thema: ’Geluk in het groen’.
De vorm waarin ik er mee aan de gang ga ontwikkelt zich. Ik zeg er ‘ja’ tegen zonder precies te weten waar ik aan begin. Het komt wel, al schrijvend, verhalend, schilderend, fotograferend of misschien wel wandelend.
Ik blijf dromen, want mijn dromen wijzen me de weg.... ook in het bos.

Ik wens ook jou in 2019 veel geluk in het groen!


zondag 9 december 2018

Word wakker!

Al weken kwakkel ik voort. Het begon met spierpijn in mijn linkerschouder en nek. Paracetamol, een warme zak met kersenpitten, gemberthee, insmeren met teatree olie, het werkte allemaal maar tijdelijk. Na vijf dagen begon mijn neus te lopen en leek de pijn uit mijn schouder via die weg mijn lijf te verlaten. Maar helaas. Het kwam terug en nu met hoofdpijn, die mijn hoofd leek te doen barsten als ik maar een beetje buk. ’s Nachts sliep ik met een laurierdropje achterop mijn tong om mijn hoestbuien te bedwingen.

Wordt het dan nooit eens beter?
Na drie weken kwakkelen ben ik aardig teleurgesteld in mijn ‘sterke’ lijf. Ik heb nooit wat en nu dit. De ene dag gaat het en de andere dag hang ik op de bank. Ik erger me niet alleen aan mijn eigen ongemak, maar ook aan de onhebbelijkheden in de wereld om ons heen die nu bij gebrek aan energie vol bij mij te lijken binnenkomen. Waar ik me in de jaren ’90 al druk over maakte, lijkt nu actueler dan ooit. Het is alsof die betere wereld maar niet opschiet, alsof het alleen maar slechter wordt met zoveel verspilling van grondstoffen en ongelijke verdeling van geld en macht. Ik krijg de neiging om te roepen: “Weten jullie het nu nog niet?”

Yes!!
Maar dan keert het tij. Ik lees een artikel waarin Erik Gerritsen, secretaris generaal van het Ministerie van VWS, zegt dat het juist goed is om telkens weer opnieuw het wiel uit te vinden en al werkend te leren door te reflecteren op de praktijk. Dat voelt voor mij als een hart onder de riem. Het werkt dus inderdaad niet als je tegen mensen zegt hoe het moet en waar ze voor op moeten passen. Mensen leren pas echt hun gedrag te veranderen als ze hun neus hebben gestoten, pijn hebben ervaren. Niks paternalisme...Het is blijkbaar niet dom dat ik telkens weer teleurgesteld ben in de mensheid. Het hoort bij het leven om steeds weer je neus te stoten. Ook waar het gaat om te hoge verwachtingen.

Erik citeert Confucius: 
‘Vertel het me en ik vergeet het, doe het me voor en ik begrijp het,
laat het me ervaren en ik maak het me eigen.’ 


Wakker geschud
Afgelopen zomer dacht ik dat mijn ambities stilletjes verdwenen en ik mijn leven vanaf mijn 60e al schoffelend, zorgend en schilderend zou vervolmaken. Een bijzondere gewaarwording. Maar gelukkig, mijn gekwakkel heeft de wereldverbeteraar in me weer wakker geschud. Ik krijg er weer zin in. Die wereldverbeteraar lijkt mijn motor.
Ik zie hoe de dingen waar ik me eerder druk over heb gemaakt in mijn leven, nog steeds actueel zijn.
Rond mijn 20e wilde ik het wereldvoedselprobleem oplossen en ik verminderde mijn vleesconsumptie aanzienlijk omdat dieren voor de productie van hun lekkere lapjes heel veel eiwitrijk plantaardig voer voorgeschoteld krijgen. Een enorme verspilling van eiwitten en grondgebruik. Rond mijn 30e ging ik als milieu-adviseur voor verminderen en hergebruik van afvalstoffen. Er werd in de 90-er jaren met de industrie een 'Convenant verpakkingen' gesloten om e hoeveelheid verpakkingsafval terug te dringen. Ik heb er geen effect van gemerkt en word triest van de plasticsoep.  Rond mijn 40e werd ik verbinder van boeren, burgers en bestuurders in projecten. Rond mijn 50e maakte ik opnieuw kennis met de wereld van de zorg. Met mijn ervaringsverhalen inspireer ik mensen om de regie over hun leven en gezondheid zelf in de hand te nemen in plaats van uit te besteden aan andermans 'goede bedoelingen'.

​En dan nader ik nu de 60. Alles van eerder komt weer langs. De prominente stem van het bedrijfsleven in Nationaal Preventieakkoord voor een gezonder Nederland, bezorgt me een déjà vu van het Convenant verpakkingen. De industrie heeft er hard hun best voor gedaan om de gescheiden inzameling van plastic
afval te verbeteren, zodat wij denken dat het plastic beter gerecycled wordt en het gebruik van plastic niet zo erg is. Behalve het plastic kun je ondertussen in dezelfde zak ook de blikjes en pakken kwijt. De industrie heeft daarmee het verminderen van verpakkingsafval 'opgelost'. Maar de hoeveelheid plastics  in het milieu was nog nooit zo groot. Hoe zou dat met de gezondheidsbeloften in het Preventieakkoord gaan?
Ik realiseer me dat ik niemand hoef te vertellen hoe het moet. Dat werkt niet, daar leren mensen niet van. Ik wil nog meer terug naar de bron. De waarde van ervaring.
​Dat wat men ervaart, is voor mensen de waarheid. Hoe je de ervaring duidt, bepaalt wat je er verder mee doet.

Less is more!
Ik wil mensen inspireren om de waarde te gaan zien van wat ze meemaken omdat dat waarde geeft aan het leven. Omdat vergroting van eigenwaarde vrij maakt van een behoefte aan meer, meer en meer.
Deze gedachte maakt me blij. Mijn gekwakkel is weer over en heeft me beter gemaakt. Ik heb er zin in!

Lees hier het artikel met het interview met Erik Gerritsen: 'Telkens opnieuw het wiel uitvinden, is juist goed.'

Foto

dinsdag 30 oktober 2018

Heeft geld zin?

Begin dit jaar maakte ik kennis met Annette. Ze probeerde haar rol binnen de Beroepsvereniging voor Groene Zorg (BVGZ) weer op te pakken. Daar was ze vanwege darmkanker een jaar eerder mee gestopt. Na een aantal operaties en chemo’s is de kanker nu verdwenen. "Ik had dood moeten zijn, maar ik ben er nog", was één van de eerste dingen die ze zei. Ze voelde zich een ander mens. Niet alleen vanwege de vermoeidheid, maar door alles wat haar met haar ziekte was overkomen. “Ik leef voor mijn zoontje en mijn partner, maar voor de rest heb ik nog geen idee. Ik wil rustig gaan ontdekken waar ik me weer mee bezig ga houden. Ik zal toch weer geld moeten gaan verdienen.” Een half jaar na onze eerste kennismaking vertelt ze dat ze haar bedrijf heeft beëindigd. Gelukkig heeft ze een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen, maar de uitkering daarvan stopt in februari 2019. Haar vertrouwde inspiratie is ze kwijt. De zin van het leven, dat is wat haar bezighoudt. Maar kun je daar van leven?

Kun je leven van de zin ervan?
Nadat mijn partner Wim in 2009 een infarct in de hersenstam kreeg en ook voor de hemelpoort werd weggesleept, kreeg ik een ingeving waar het in het leven om gaat. Dat is om in liefde met elkaar te leven, met respect voor de omgeving. Ik zegde mijn goed betaalde werk op om thuis te zijn, zodat Wim weer thuis kon komen wonen. De financiële consequenties kon ik niet overzien, maar het deed er op dat moment niet toe.
Ik was eraan gewend om mijn eigen inkomsten te genereren en daarvan te leven. Dat had mij het gevoel gegeven zelfstandig en onafhankelijk te zijn. Maar door de confrontatie met de eindigheid van het leven door het herseninfarct van Wim, kreeg het werk dat ik deed opeens een andere betekenis. Het leek er totaal niet meer toe te doen. Dat Wim en ik samen verder zouden kunnen leven, daar ging het om.

Mag ik zinvol bezig zijn?
Vanaf dat moment in 2009 probeer ik met zinvolle bezigheden mijn geld te verdienen. En onder zinvolle bezigheden versta ik dat wat bijdraagt aan: in liefde met elkaar leven met respect voor de omgeving. Hoe dat moest wist ik niet, ik ben gewoon maar gaan doen. Dat begon met schrijven over onze ervaringen. Eerst een eigen blog, toen gastcolumns. Wat ik schreef sprak mensen aan. Ik werd gevraagd erover te spreken, voor interviews in tijdschriften en om deel te nemen aan programma’s voor TV. Soms werd het betaald, soms niet. Gelukkig werden we er, een half jaar nadat Wim weer thuis was, op geattendeerd dat Wim een PGB (persoonsgebonden budget) kon aanvragen waar hij mij uit zou kunnen betalen. Het kostte me enige moeite om deze constructie als volwaardig inkomen te accepteren omdat ik vond dat ik als zelfstandig ondernemer geheel zelfstandig mijn geld moest kunnen verdienen. Maar ik zag me niet meer doen wat ik eerder deed, dus wat dan wel?

Ik merk dat er een diepe behoefte aan financiële onafhankelijkheid in mij aanwezig is. En een behoefte om er toe te doen. Ik wil niet alleen van belang zijn voor mijn dierbaren, ik wil ook van belang zijn voor de wereld om ons heen. De maatschappelijke waardering voor wat ik voor Wim doe betaalt zich uit in het PGB. Maar daarin vind ik onvoldoende zingeving. Door onze ervaringen in het (her)vinden van een nieuwe weg in het leven te delen met anderen, krijgen deze ervaringen zin. Op die manier ervaar ik een soort van balans met de maatschappij voor het geld wat ik via het PGB van de samenleving ontvang.

'Echt' geld verdienen
​Maar waarom is er in mij nog een telkens weer oplaaiende onrust? Een stem in mij die vindt dat ik op een ‘echte’ manier mijn geld moet verdienen. Waarom zou wat ik doe niet ‘echt’  zijn? Waarom is het wel ‘echt’ als Wim iemand van een instelling zou inhuren om hem overdag te helpen en om ‘s nachts bij hem te blijven zolang hij aan het ademapparaat ligt. Dat zou wellicht zo duur zijn dat hij in een speciaal verpleeghuis zou moeten gaan wonen. Wat dan ook weer veel meer kost dan dat ik nu krijg. Waar voel ik me steeds weer schuldig over als ik op deze manier zelfs de maatschappelijk gezien goedkoopste zorg lever voor iemand als Wim? Waarom zie ik dit niet als ‘echt’?
Vind ik het té gemakkelijk? Nee, want het is helemaal niet gemakkelijk om zo bewust te leven en van alles wat je meemaakt te willen leren om een nog beter mens te worden.
Ik denk dat het het gevoel is niet mee te doen met waar mensen ‘echt’ hun geld mee verdienen.

Als ik mijzelf wil blijven waarderen, moet ik mijn bijdrage dus niet afmeten aan ‘echt’ geld. Want geld wat iemand verdient, zegt niet zoveel over de maatschappelijke waarde die iemand levert. De beloning van zingeving zit hem misschien wel in ‘geluk’. En geluk is niet te koop!

Geld om het leven zin te geven
Dat brengt me weer terug bij Annette en al die andere mensen die niet of nauwelijks in staat zijn om ‘echt’ geld te verdienen. Zouden we mensen in dergelijke omstandigheden niet gewoon leefgeld moeten geven? Zodat ze kunnen betalen wat ze nodig hebben om zich een zinvolle weg door het leven te banen? Omdat mensen die hun leven zin weten te geven van maatschappelijke waarde zijn. Anders heeft het geen zin….

zaterdag 22 september 2018

Wie dien je?

Ik schreef een column in het tijdschrift Antenne, van de VPTZ (Vrijwilligers palliatieve terminale zorg)

Wie dien je?

Mijn vader is al weer twintig jaar geleden overleden. Vorige maand zou hij 87 jaar zijn geworden. Mijn moeder, broer, schoonzus en ik hebben het er af en toe nog over hoe dat ging. Hoe blij we nog steeds zijn met de duidelijkheid die hij zelf gaf in zijn wilsverklaring. Dat heeft een hoop discussie over eventueel verder handelen voorkomen. 

Artsen die nog wel een mogelijkheid zagen, verpleegkundigen die niet echt zelf een mening uitten en wij die mijn vader al wat langer kenden en wisten dat het leven wat hem eventueel zou restten als zwaar gehandicapte man in een rolstoel, voor hem en ons een zware opgave zou zijn. Hij had graag de regie over zijn leven en zou dat dan nauwelijks nog hebben. Hij had niet voor niets een wilsverklaring opgesteld op het moment dat hij te horen kreeg dat hij kanker had.

Mijn moeder is nu 87. Toen mijn vader overleed zei ze dat ze ook een wilsverklaring wilde opstellen. Ze heeft het nog steeds niet gedaan, maar weet wel wat ze wel en wat ze niet wil.
Enkele maanden geleden brak ze haar heup. Dat in combinatie met nog enkele andere kwalen die haar mobiliteit beperken, deed ons als familie huiveren. Ze woont nog zelfstandig, zou dat zo kunnen blijven? Onze vraag of ze niet eens zou omkijken naar een woonzorgcentrum wimpelt ze al jaren af. Nu neig ik toch een afspraak te gaan maken met een zorgcentrum bij haar in de buurt. Mijn moeder wil daar niet aan denken en wil het eerst nog even aankijken. Mijn broer en schoonzus vinden het ook niet echt een fijn idee dat ze eenmaal weer thuis, zo weer zou kunnen vallen. We wonen allemaal niet dichtbij, kunnen we dit de buren aandoen? 

De heupoperatie verloopt verrassend goed. Geen delier, waar men voor waarschuwde. Wel onzekerder dan ooit met lopen, maar dankzij een goede fysio- en ergotherapeut in het revalidatiecentrum, wordt ze erg handig en zorgvuldig met de rollator. 
Mijn broer besluit dat we haar verlangen om weer in haar eigen huis te wonen moeten respecteren, hoe griezelig we dat ook allemaal vinden. Hij had de douche en het toilet al aangepast en maakt nu een plaat waarmee de drempel van de buitendeur met rollator te nemen is. 

Na twee maanden herstel in een verpleeghuis en revalidatiecentrum is ze nu weer thuis. De thuiszorg is geregeld voor hulp bij de steunkousen en het douchen. Huishoudelijke hulp had ze al. Tafeltje dekje brengt haar warme maaltijden. Het is griezelig haar te zien lopen, maar zij wil dat zo. Ik heb het er over met een vrouw die als verzorgende in een instelling werkt. Ze zegt:“ Mijn moeder heeft ook haar heup gebroken en wilde ook thuis blijven. Ik heb toch geregeld dat ze nu bij mij in de buurt in een woonzorgcentrum zit, en ze vindt het prima. Ik kan nu elke dag even bij haar langs.  Als ik jullie was zou ik dat ook gewoon zo regelen.” 
Er breekt een strijd in mij los. Doe ik het wel goed? Een schuldgevoel bekruipt me.

Als ik enkele dagen later bij mijn moeder op bezoek ga, heeft ze een lelijke wond op haar hand. “Hoe komt dat?” vraag ik. “Ja, ik viel bijna en heb me toen gestoten. De thuiszorg heeft er een verband om gedaan. Het valt me allemaal nog niet zo mee om weer thuis te zijn.” Ik bel mijn broer: “Moeten we niet toch zorgen dat ze anders gaat wonen?” Zijn antwoord: “Mama wil dit zo en ze weet dat als ze weer valt dat waarschijnlijk het einde zal zijn. We moeten dat respecteren.” Hij heeft gelijk. Al mijn drang om haar in een zorgomgeving te laten wonen, is gebaseerd op het tevreden houden van mijn eigen gemoedsrust. Ik wil me niet schuldig voelen als er wat gebeurt. Maar wat gebeurt er eigenlijk als ze om mij tevreden te stellen haar vertrouwde omgeving met lieve buren zou verlaten? 

Een week later ben ik weer bij haar. “Cora, misschien is het verstandig dat ik nu toch zo’n sta-op-stoel ga kopen. Kan ik met jou naar de winkel in een rolstoel?” 
Nu zit ze de hele dag lekker in die stoel in haar eigen huis. Ze kijkt TV en dommelt wat. “Ik ben best wel moe”, zegt ze, “mijn lijf wil niet meer zo goed en met dit warme weer vind ik het wel prima zo.” 

Wie ben ik om haar dit te ontnemen omwille van mijn eigen gemoedsrust?

Deze Column verscheen in Antenne, september 2018