vrijdag 8 november 2019

Uiteindelijk de baas

Geschreven door het 'tuinmeisje' in het hospice

Hij was een lange magere man. Indringend en tegelijk vragend kijkend, traag en weinig sprekend. Zijn leven lang vrijgezel gebleven op de boerderij waar hij is opgegroeid. Hij was pas 67 maar oogde bejaard. Hij kwam in het hospice met longkanker. Roken deed hij niet meer, maar het was niet moeilijk om hem voor te stellen, buiten op het land met een peuk in zijn mond. Boer was hij al jaren niet meer. Hij had zijn land verkocht voor de ontwikkeling van een grote nieuwbouwwijk. In de boerderij kon hij blijven wonen.

In het hospice
Hij vroeg wel eens waar hij nu was. Hij kwam eigenlijk nooit verder dan Woerden. Zijn zus en haar man kwamen wel op bezoek. Ook heb ik een nicht met haar man ontmoet. Verder moest hij het zijn laatste weken vooral met de vrijwilligers in het hospice doen. We wisten allemaal van hem dat hij boer was geweest, maar dat hij dat eigenlijk helemaal niet had willen worden. Als je hem vroeg wat hij dan wel had willen worden, wist hij dat niet. “Ik heb op de boerenschool in Montfoort gezeten en het was gewoon de bedoeling dat ik boer werd en koeien ging melken.” Zo is het dus gegaan. Wat hij is gaan doen nadat hij gestopt is, is me eigenlijk niet duidelijk geworden. Eten koken deed hij niet. Zijn buren en familie kwamen hem wel eten brengen zei hij. 

Als je hem vroeg wat hij wilde eten, was zijn antwoord altijd: “Een beetje.” Als je hem een bord vol neerzette met aardappels, groente en een stukje vlees, at hij het keurig leeg. Hij likte er zijn mes, en soms zijn bord, gewoon bij af. Hij kwam altijd naar de woonkamer om te eten. Wij zaten dan bij hem aan tafel met een kopje koffie wat te praten. Hij nam alles waar en kon soms zo vanuit het niets een scherpe vraag stellen waaruit bleek dat hij wel degelijk alles volgde. Hij was niet zo onnozel als hij leek.

Op een goede dag vroeg hij me of ik even bij hem kwam zitten. Ik ging zitten in de stoel naast zijn bed. Ik vroeg hem wat hem interesseerde. Hij vertelde dat hij altijd ge├»nteresseerd was geweest in de politiek en dat ook graag volgde via de krant en de televisie. Hij was zijn hele leven trouw geweest aan het CDA, want hij was boer, zei hij. Ook vertelde hij dat hij er absoluut niet tegen kon als mensen onrecht werd aangedaan. 

Hij knapte soms een beetje op van onze aandacht en het eten dat hij kreeg. Op een goed moment was het de vraag of hij niet naar een verpleeghuis zou moeten. Ik dacht: dat kun je deze man niet aandoen. Hij heeft bijna niemand, waar zou hij nog langer voor moeten blijven leven? Bij de mogelijke gang naar een verpleeghuis hoort dat hij geactiveerd wordt, en ook kwa voeding wordt gestimuleerd. 

"Wat u wilt"
Die middag gebeurde er iets met me. Het viel me op hoe hij eigenlijk niet serieus werd genomen in zijn wens om met rust gelaten te worden. De gordijnen moesten open, terwijl ik ze daarvoor net op zijn verzoek had gesloten. Ik merkte zijn autoriteitsgevoeligheid en het instemmen met suggesties van mensen, omdat dat zo hoort. Toen ik hem vroeg of hij de gordijnen dicht wilde, was zijn antwoord: ”Wat u wilt”. Ik antwoordde: ”Nee, ik vraag wat u wilt, u bent nu de baas.” De manier waarop hij toen naar me keek leek alsof hij zich voor het eerst realiseerde dat hij de baas mocht zijn. Ik werd er blij van.
Hij wilde die avond graag op zijn kamer eten, hij voelde zich niet helemaal lekker zei hij. Dat was eigenlijk tegen het activeringsbeleid in, maar na een suggestie dat het toch beter voor hem zou zijn om even uit bed te komen, besloot ik met die onzin te stoppen. We konden wel denken dat hij dat niet lekker voelen als smoesje bedacht om in bed te mogen blijven, maar ik wilde hem serieus nemen. 
Ik bracht hem deze keer precies wat hij vroeg: een beetje. Hij at zelfs zijn bord niet helemaal leeg. Hij vertelde me dat hij eerder altijd zijn bord leeg had gegeten omdat dat zo hoorde, maar eigenlijk hoefde hij het allemaal niet. 

Na deze dienst besloot ik niet meer mee te doen aan het activeringsbeleid. Ik wilde hem respecteren in zijn wens om te rusten en weinig te eten. Ik heb dit in een mail kenbaar gemaakt aan de co├Ârdinatoren.

Daarna ging hij snel achteruit. Toen ik een week later terugkwam, kon hij al niet meer op zijn benen staan. Hij rochelde behoorlijk en kon dat niet meer ophoesten. Hij wilde graag dat er iemand naast hem zat. Hij had het warm en lag met de dekens van zich af. Zijn benen waren onrustig. Ik vroeg of hij weg wilde. Ja, dat wilde hij. Mijn collega vrijwilliger en ik zaten ieder aan een kant van zijn bed. Hij pakte onze handen vast. We bevochtigden zijn mond met een sponsje met wat water. Hij ontspande. Hij maakte zijn handen los en legde ze gevouwen op zijn borst. “Het is eigenlijk wel goed zo”, zei hij. Zwijgend keken we naar zijn borstkas die rustig op en neer ging. 
Twee dagen later overleed hij in bijzijn van zijn zus en zwager. Zijn zus die ons instrueerde om hem geen dingen met suiker te geven omdat dat slecht voor hem zou zijn. 







Geen opmerkingen:

Een reactie posten